Dinsdag 15/10/2013: Vanochtend werden we om half acht opgehaald vanaf het hotel voor ons laatste ritje langs de tempels. We reden naar de “kade” waar we vertrokken met een boot. Er lagen een aantal cruiseschepen en een aantal kleine bootjes, maar wij mochten aan boord op een middelgrote boot met overkapping. We vaarden stroomopwaarts op de Ayeyarwady rivier naar Pakokku. De rit duurde ongeveer drie uur, dus we waren blij met de overkapping, want de zon brandde stevig aan de hemel. Het leuke is vanaf een boot kan je het dagelijkse leven goed bewonderen: veel vissers (ik denk dat ze hier meer vis vangen dan mijn papa, ondanks het sobere materiaal: een bamboe stok en een draad en haak eraan), vrouwen die de was doen op de authentieke manier (we vroegen ons nu af of onze was gisteren ook in de rivier is gedaan), mensen die de rivier als badkamer gebruiken (de Birmezen zijn erg preuts ze gaan met hun longi aan in de rivier om zich te wassen), maar ook boten die waarschijnlijk goud of andere edelstenen baggeren, grote schepen volgeladen met hout, dus we hadden genoeg om te bekijken. De motor van de boot maakte wel een hels kabaal, want de stroming was fors, dus na drie uur op een houten bank met een stampende motor waren we blij dat we aan land mochten. Bij Pakokku werden we opgewacht door onze chauffeur en een aantal dames die onze tassen wel wilden dragen. Helaas onze rugzak hing al op de rug, we werden nog wel geholpen om over een dun plankje te lopen richting de kant. Leen viel nog bijna af het plankje in de blubber. Even een toiletpauze op een echt Birmees toilet, geen aanrader. Wouter werd omringd door een aantal vrouwen en kinderen. Toen hij het zakje met speeltjes uit de kofferbak haalde, werd hij belaagd. In het dorpje zijn we nog gestopt bij een lederen slipper fabrikant. Die doet waarschijnlijk goede zaken hier, want iedereen loopt hier op slippers, tot nu toe hebben we één Birmees gezien met schoenen. Zoals we al vaker hebben gezien waren ze hier ook niet vies om kinderen aan het werk te zetten. Iedere jongen had zijn eigen taak: lagen aan elkaar plakken, een gat instansen, een inkeping maken, het rubberen zooltje vastplakken… Grappig was dat de rubberen vellen die we eerder ook al hadden gezien, daar ook hingen, dus nu weten we waarvoor ze gebruikt worden. Daarna hebben we een stop gemaakt bij een sigarenfabriek. Leen werd nog ingezet als hulpkracht, maar werd snel ontslagen. Ongelofelijk hoe snel ze een sigaar in elkaar draaiden. Aangezien Pakokku bekend staat om het thanaka zijn we ook nog bij de markt gestopt. Ik weet niet of ik er al eerder iets over heb geschreven, maar alle vrouwen (en soms ook de heren) smeren thanaka op hun gezicht als zonnebrand. Het is de stam van de sandelboom die op een houten plaatje vermengd met water wordt gewreven tot een lichtbruin smeersel. Leen heeft ook nog wat op haar gezicht mogen smeren, maar we houden het toch maar op onze bekende zonnebrand. Op verzoek van Leen nog even naar de markt, wat een drukte. We kwamen ook nog langs de vleesstand, misschien moeten we toch twee keer nadenken vooraleer we weer kip eten. Vliegen en wat een geur!
Na een stukje rijden vroeg de gids of we wilden lunchen. Hij stopte langs de weg bij een restaurant, helaas geen Engelse kaart en een gids die nauwelijks Engels spreekt, dus we hebben een curry besteld. We kregen een heleboel schaaltjes op tafel, een aantal bekende groenten zoals spinazie en kikkererwten, maar ook onbekende niet al te lekkere exemplaren. Het smaakte prima, niet culinair hoogstaand, maar voor vier euro inclusief een fles water kun je bij ons niet zo lekker en uitgebreid eten.
Daarna in de auto op weg naar de Shweba Hill pagode. De chauffeur had aangegeven dat het programma was veranderd, aangezien zijn Engels niet goed is en we er weinig van begrepen, hebben we maar ja geknikt en zagen we wel waar we uitkwamen. De Shweba Hill pagode is een uitgehakt verzonken stadje in de bergen. Het deed ons denken aan Petra, maar dan zoals Lonely Planet het omschrijft in Disney stijl en minder authentiek. De straten met de historische huizen liggen, net als de koopgoot van Rotterdam, in de diepte. We werden gegidst door drie meisjes en een vrouw die een paar woorden Engels spraken, vooral het zinnetje “This way” hadden ze perfect geleerd. Mijn beugel en de lengte van Wouter blijven succes oogsten, we vormen regelmatig zelf de attractie. Aan het einde van ons toertje wat haarspeldjes en bellenblaas uitgedeeld, we werden vrolijk uitgezwaaid.
Daarna reden we naar de eeuwenoude grottempels van Hpo Win Daung. In de berg heeft men 492 grotten uitgehouwen, waarin bijna een half miljoen Boeddha’s instaan. De grotten vormen een lint van 2 kilometer. We werden opnieuw geëscorteerd, deze keer door twee dames en die hadden er stevig de pas in, zweten geblazen. Het complex is een paradijs geweest voor antiekjagers, waardoor nu veel grotten leeg zijn of er zijn nieuwe Boeddha’s ingezet waardoor het hele complex wat van zijn charme heeft verloren. Een aantal grotten hebben een paar mooie muurschilderingen.
De chauffeur stond ons aan de andere kant van de berg op te wachten, heerlijk even bijkomen in de airco van de auto op weg naar Monywa. Opnieuw genieten van het straatleven: honderden scooters dus het toeteren hield niet op, kinderen die terug van school lopen of fietsten, allerlei soorten trucks en busjes de één nog hoger en voller ingepakt als de andere, onze eerste tuk tuk, idyllische rijstvelden omzoomd met palmbomen, volgeladen karren getrokken door stieren (de stieren hebben een soort bult ter hoogte van hun nek waardoor ze geen juk hoeven te dragen) en we zagen ook nog een rouwstoet. We reden langs een grote kopermijn, we kunnen ons voorstellen dat de arbeidsomstandigheden daar wel erbarmelijk zullen zijn. Net zoals bij de wegwerkers, ze hebben nauwelijks machines, daardoor wordt alles met de hand gedaan. Rotsen hakken en op de weg scheppen. Ondertussen staat aan de kant van de weg pek te koken onder een houtvuurtje. Het wordt overgegoten in een emmer, die wordt door een man, natuurlijk op slippers, naar de weg gebracht en dan wordt het over de stenen gegoten. Het zal waarschijnlijk nog even duren vooraleer de weg klaar is. Maar blijkbaar zijn ze wel een eind opgeschoten, want volgens ons reisprogramma zouden we in een locale truck naar de tempels worden gebracht omdat de weg te slecht was. Wij zijn nu met onze taxi, een normale personenauto er heen gebracht.
Later kwamen we langs een dorpje die boven op de resten van de koper afgravingen woonden, het water zag groen. Hier zal de levensverwachting niet al te hoog zijn.
Eenmaal aangekomen in Monywa reden we naar het hotel Win Unity, onze kamer heeft prachtig uitzicht over het meer en een zwembad, dus we hebben eerst nog een “frisse?!” duik genomen (het water voelde als een graad of 30).
’s Avonds gegeten in het restaurant “Pleasant Island” tegenover het hotel. Voor Birmese begrippen een duur, maar wel lekker Chinees restaurant. Toen we na het eten terug kwamen in onze kamer zagen we dat we een huisdier hadden die mijn mama heel leuk zou vinden, nl een gekko. Mooi kan hij de muggen vannacht vangen.