Dag 4: Varmahlið – Myvatn

Deze ochtend leek het erop dat het een stralende dag zou worden. Het ontbijt was helaas erg karig, aangezien de dichtstbijzijnde bakker maar liefst 24 km verderop was. Gelukkig hadden we in ons hamsterpakket nog crackers en een paar sneetjes oud brood. We waren weer op tijd en route en de de eerste stop was Saudárkrókur, een leuk dorpje aan zee. Helaas een paar km voor dit dorp reden we een dikke mistbank in en van dat schattige dorpje was maar weinig te zien. We zijn snel rechtsomkeer gereden en een stop gemaakt bij het Glaumbær museum. Het zijn een aantal huisjes met een turfdak (soort gras) en ernaast een klein kerkje. Het museum hebben we overgeslagen, want papa en mama kenden die ouwe zooi nog wel van vroeger. Erna zijn we nog in Vidimyri bij een kerkje met turfdak gestopt, helaas het hek was op slot. Het viel ons op dat het dak wel even een maaibeurtje kon gebruiken. 




Na ongeveer 90 km rijden door desolaat landschap: grote lavabergen, een besneeuwde bergtop, velden met schapen, een meanderend riviertje en hier en daar een boerderij, kwamen we aan in Akureyi. Het is de tweede grootste stad van IJsland, met slechts 18.000 inwoners. Kun je je voorstellen dat Merelbeke de tweede grootste stad van België zou zijn? We zijn naar de kerk gewandeld, een mini-versie van het Empire state building. Grappig detail is dat in de meeste kerken in IJsland, net zoals in Noorwegen een boot in de kerk omhoog hangt, ter bescherming van de zeevaarders. We hebben erna een rondje door de botanische tuin gelopen en aangezien het lunchtijd was geworden zijn we bij de Subway beland. Het hele concept, zelfs de inrichting, is identiek als in Nederland. In Akureyi hebben de rode stoplichten een vorm van een hart, een simpel gebaar, maar toch leuker om te stoppen voor het rode licht. 



Wouter heeft de hele reis gepland in de Sygic-app, één van de toeristische attracties was de vuurtoren van Svalbardseyri. In de Lonely Planet werd er geen melding van gemaakt, maar volgens ons een gemiste kans. Het is een kleine oranje, ja ons kleur, vuurtoren aan de rand van het water. Aan de andere kant van het fjord ligt Akureyi dus we hadden een prachtig uitzicht. 



Na een half uurtje rijden, kwamen we aan bij de Goðafoss (waterval van de goden). Het water van de Skjálfandafljót rivier valt over een breedte van 30 meter 12 meter naar beneden, en de Goðafoss wordt door rotsen in een paar stukken verdeeld. Een aantal kilometers stroomopwaarts ligt Aldeyarfoss, de Tom Tom gaf een uur rijden aan, dus die hebben we geskipt en zijn direct naar het hotel gereden. De komende twee dagen slapen we in het Fosshotel aan het meer van Myvatn, wat een uitzicht. 



Vanavond hebben we gegeten in een koeienschuur: Vogafoss Cowshed café. Wouter en ik zagen direct een nieuw concept die zo kan geïntroduceerd worden in Nederland. Een raam in de koeienstal, waardoor koe en etende klanten elkaar kunnen bekijken. Een kortere weg tussen de boer en de consument kan je je nauwelijks voorstellen. Wouter las zelfs dat als de koeien werden gemolken je een glaasje verse melk kon bestellen. Ze waren de koeien aan het melken, maar dat glaasje melk hebben we maar afgeslagen. Papa voelde zich helemaal thuis tussen koeien.